Marit is zestien jaar, enig kind en woont bij haar moeder. Haar ouders zijn een jaar geleden gescheiden. De vader van Marit heeft het huis verlaten en woont nu in Assen. Haar moeder is samen met Marit achtergebleven in het oude huis. Al langere tijd lukt het Marit niet meer om zich op school te concentreren. Ze piekert veel, onder andere over haar moeder met wie het niet goed gaat sinds de scheiding. Thuis praten ze veel over de problemen die haar moeder heeft. Marit slaapt slecht, is vaak chagrijnig en wordt steeds stiller. Hierdoor vragen vriendinnen haar minder vaak mee om samen iets te doen. Ze voelt zich steeds eenzamer.
Mentor
Marit is razend op haar vader. Vroeger had ze een hechte band met hem. Ze neemt hem de scheiding erg kwalijk. Hij heeft een nieuwe vriendin met wie ze het helemaal niet goed kan vinden. Op een dag barst de bom tijdens een mondelinge overhoring Engels. Marit brengt hier niets van terecht. Ze heeft te weinig van de lessen opgenomen en kan geen antwoord geven op de vragen. Ze barst in huilen uit. Op aanraden van de leraar gaat ze praten met haar mentor. Tijdens dit gesprek gooit ze alles eruit.
Haar mentor geeft aan dat Marit professionele hulp nodig heeft. Via de huisarts wordt Marit verwezen naar Kinder- en Jeugdpsychiatrie van GGZ Drenthe. Er wordt een afspraak gemaakt voor een intakegesprek. Zowel met Marit als met haar moeder vinden gesprekken plaats. Ook haar vader wordt bij de behandeling betrokken.